De afgelopen weken werd de fiscale wereld opgeschrikt door een aantal arresten over de omvang van de controlebevoegdheid van de fiscale administratie. In de media was er bijvoorbeeld vrij veel aandacht voor een arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 9 oktober 2019. In dit arrest besliste het Hof dat de fiscus bij een fiscale visitatie over een actief zoekrecht beschikt dat zich evengoed uitstrekt tot computerbestanden. De fiscus mag dus volgens het Hof zonder toestemming van de belastingplichtige een kopie maken van alle gegevens op de computer. Het hof meent dat de privacy van de belastingplichtige niet geschonden is als daarbij naast de boekhouding ook privébestanden mee gekopieerd worden.

Het Hof van Cassatie van zijn kant besliste dan weer in een arrest van 14 november 2019 dat de Wet Bijzondere Opsporingsmethoden die onder andere zeer strenge voorwaarden stelt voor het “oberveren” van mensen door politiediensten, niet van toepassing is op fiscale ambtenaren. Hierdoor kan de fiscus zonder wettelijke voorwaarden en zonder de machtiging van een rechter bijvoorbeeld vrachtwagens van een bepaald bedrijf gedurende een langere periode gaan achtervolgen.

Deze beide arresten zijn tekenend voor de sign of the times. Het is reeds langer een feit dat de rechtspraak de rek zet op de interpretatie van fiscale onderzoeksbevoegdheden en meer en meer vrijheid laat aan de fiscale ambtenaren. Het Hof van Cassatie besliste zelfs in een arrest van 22 mei 2015 dat de fiscus zich eigenlijk ook niet moet houden aan de letter van de wet. In dit arrest besliste het Hof immers dat wanneer de fiscale administratie onregelmatigheden begaat tijdens de fiscale controle, het bekomen bewijs enkel van de bewijsvoering moet worden geweerd wanneer:
– Er sprake is van een schending van een regel die op straffe van nietigheid is voorgeschreven;
– De bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer in druist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht;
– Dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt.
Hiermee worden de meeste onregelmatigheden van de fiscale administratie bij de fiscale controle eigenlijk gewoonweg toegedekt.

Thans kunnen we in praktijk enkel maar vaststellen dat de fiscale administratie, door toedoen van deze rechtspraak, steeds maar verdere grenzen gaat opzoeken. En dan gebeuren er vreemde dingen. Wat denkt er immers van mocht u in uw lingerie op de behandeltafel van uw dokter liggen en plots geconfronteerd worden met een binnenstormende ambtenaar die niet geloofde dat de dokter in kwestie ook praktijk hield in een kustgemeente? Of u laat uw zesjarig zoontje een half uur alleen thuis voor de TV om vlug wat boodschappen te doen en uw zoontje wordt plots doodsbang geconfronteerd met een ambtenaar die over de omheining van uw tuin klautert om foto’s te nemen van uw verbouwing in het kader van een BTW-controle. Vindt u dit ok? Dit zijn zaken die de dag van vandaag gebeuren en die tekenend zijn voor de administratieve tijdsgeest.

Het wordt dan ook hoog tijd voor een wetgevende evaluatie van de fiscale controle. Zowel de administratie als de belastingplichtigen hebben nood aan en recht op een duidelijk wettelijk kader waarin de rechten en beperkingen van de fiscale administratie en de verplichtingen van de belastingplichtigen duidelijk zijn weergegeven. Fiscale controle moet immers een verhaal zijn van “checks and balances”. Het is een rechtstaat nu eenmaal zo dat de overheid, mits daartoe een wettelijke grondslag bestaat, afbreuk kan doen aan fundamentele grondrechten zoals het recht op privacy, de onschendbaarheid van de woonst of het recht op eigendom. Alleen is het ook wel zo dat het principe van de rechtstaat vereist dat de overheid zich houdt aan de wettelijke regel die de onderzoeksbevoegdheid heeft vastgelegd en tevens proportioneel handelt. Dat wil bijvoorbeeld zeggen dat het aanvaardbaar is dat de overheid in strafonderzoeken veel verder moet kunnen gaan in de afbreuk van fundamentele grondrechten dan bijvoorbeeld in een puur fiscaal administratieve controle. Maar deze trapsgewijze benadering van de omvang van onderzoeksbevoegdheden wordt thans niet altijd meer gevolgd door de rechtspraak en dit kan eigenlijk in een rechtstaat niet aanvaard worden.

Laat ons dan ook hopen dat de komende federale regering niet alleen oog heeft voor de budgettaire fiscale context maar ook voor de relatie tussen de fiscus en de belastingplichtige. Een nieuw en gemoderniseerd kader van de fiscale controle moet dan ook zeker een onderdeel vormen van het nieuw regeerakkoord.