Wie fiscale schulden heeft moet aan de fiscus nalatigheidsinteresten betalen. In het omgekeerde geval, wanneer een belastingplichtige recht heeft op de terugbetaling van ten onrechte betaalde belastingen, dan moet de fiscus aan de belastingplichtige moratoriumintresten betalen. Tot voor kort was het percentage van deze nalatigheids- en moratoriuminteresten gelijk. Maar daar is sinds kort verandering in gekomen.

Met de hervorming van de vennootschapsbelasting door de Wet van 25 december 2017 heeft de regering immers beslist om de regeling van de nalatigheids- en moratoriuminteresten in de inkomstenbelastingen aan te passen. Vooreerst werd de berekeningswijze voor de rentevoet van de interesten gewijzigd. Voortaan gebeurt de berekening van de interesten aan de hand van het gemiddelde van de referte-indexen J met betrekking tot de lineaire obligaties op tien jaar van de maanden juli, augustus en september van het laatste jaar dat het jaar waarin de rentevoet van toepassing is, voorafgaat, zonder dat deze minder dan vier procent of meer dan tien procent mag bedragen. Daarnaast werd in de Wet van 25 december 2017, tot eenieders fiscale verwondering, eveneens bepaald dat de rentevoet van de moratoriuminteresten die verschuldigd zijn door de Staat, steeds twee procentpunt lager moeten liggen dan de nalatigheidsinteresten die zijn verschuldigd door de belastingplichtigen. Dit betekent zeer concreet dat belastingplichtigen, die thans achterstallige inkomstenbelastingen aan de staat zijn verschuldigd, hierop 4 procent nalatigheidsinteresten moeten betalen, daar waar belastingplichtigen die gerechtigd zijn op de terugbetaling van onterecht betaalde belastingen, slechts 2 procent moratoriuminteresten krijgen toegekend.

De regering heeft dit verschil tussen de rentevoet voor de nalatigheidsinterest en de rentevoet voor de moratoriuminterest verantwoord door enerzijds budgettaire redenen aan te voeren en anderzijds door te stellen dat ze hiermee wil strijden tegen elke vorm van speculatie. Volgens de regering zouden belastingplichtigen, die in een geschil zijn betrokken met de fiscus, immers kunnen speculeren door de verschuldigde doch betwiste belasting te betalen in de hoop dat de fiscus of de rechter de belasting vernietigt, en de staat de belasting met hoge interesten moet terug betalen. Dit is uiteraard een vreemde redenering.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat tegen deze wetgeving naar het Grondwettelijk Hof werd gestapt, waar deze discriminatie tussen de fiscus en de belastingplichtigen werd aangekaart. Ondanks het feit dat iedereen aanvoelt dat deze wetgeving de fiscus en de belastingplichtigen in een ongelijke positie plaats bij geschillen, heeft het Grondwettelijk Hof in een arrest van 29 november 2018 geoordeeld dat deze wetgeving het gelijkheidsbeginsel niet schendt. Het Grondwettelijk Hof stelt in zijn arrest vooreerst dat het verschil in behandeling tussen de fiscus en de belastingplichtigen op een objectief criterium steunt, namelijk de hoedanigheid van diegene die de interesten betaalt. Daarnaast stelt het Grondwettelijk Hof dat het verantwoord is om de rentevoet van de moratoriuminteresten te beperken ten opzichte van de rentevoet van de nalatigheidsinteresten, dit om te vermijden dat belastingplichtigen ten koste van de Schatkist zouden speculeren. Het Grondwettelijk Hof schaart zich hiermee volledig achter de redenering van de regering.

Met dit arrest valt het doek over deze discussie en moeten belastingplichtigen voortaan aanvaarden dat zij slechts 2 procent moratoriuminteresten van de fiscus krijgen, daar waar zij zelf 4 procent nalatigheidsinteresten moeten betalen aan de fiscus. Met dank dus aan de huidige regering. Nochtans werd in het regeerakkoord van de regering Michel gepleit voor taxificatie. Het was de bedoeling van de huidige regering om – en zo staat het letterlijk in het regeerakkoord – het wederzijds vertrouwen tussen de belastingplichtigen en de belastingadministratie te versterken en om te streven naar een nuttig evenwicht tussen de belangen van de belastingadministratie en de belangen van de belastingplichtige. Van dat nuttig evenwicht is in de materie van de nalatigheids- en de moratoriuminteresten in ieder geval geen sprake meer. In tegendeel, de regering heeft hier bewust een onevenwicht in het leven geroepen tussen de belangen van de belastingadministratie en de belangen van de belastingplichtige. De regering lijkt maar niet te beseffen dat dergelijke maatregelen enkel maar kwaad bloed zetten bij de belastingplichtigen waardoor de aversie tegenover de fiscale administratie zal toenemen en de kloof tussen de fiscus en de belastingplichtigen enkel maar groter wordt gemaakt. Dus ja, dergelijke maatregelen verdienen het om te worden aangevochten. Misschien wordt het dan toch tijd dat ook fiscalisten dat gele hesje maar eens aandoen.