De maand oktober 2019 is een bijzondere maand voor fiscalisten. En neen dat is niet omdat het Vlaams regeerakkoord tal van verregaande fiscale maatregelen heeft voorzien, zoals de afschaffing van de woonbonus, de verlaging van de registratierechten, de verlenging van de verdachte periode bij handgiften, de afschaffing van het fiscaal voordeel bij duo-legaten en de verlaging van de belastingvermindering voor dienstencheques. Neen de maand oktober 2019 is namelijk een fiscale feestmaand. Op 29 oktober is het precies 100 jaar gelden dat ons stelsel van de inkomstenbelasting werd ingevoerd met de Wet tot vestiging van cedulaire belastingen op de inkomsten en van een bijkomende belasting op het globaal inkomen.
Vandaag de dag lijken de inkomstenbelastingen doodnormaal maar 100 jaar geleden was dit absoluut niet het geval, en werd dit stelsel voor ons land zelfs als revolutionair beschouwd. Maar de toenmalige regering had net na Wereldoorlog I budgettair geen andere keus dan zware fiscale maatregelen te nemen. Het nieuwe fiscale stelsel was gebaseerd op een rapport van Jules lngenbleek, de toenmalige secretaris van Koning Albert, die op verzoek van de Regering een fiscaal hervormingsplan had uitgewerkt. Dit rapport met de titel La Justice dans l’impôt voorzag in de invoering van directe belastingen op het inkomen met progressieve tarieven. Volgens Ingenbleek was dit systeem veel rechtvaardiger dan het systeem van indirecte belastingen die volgens hem de kleine man zwaarder troffen. Om het sociaal evenwicht in de samenleving te herstellen in het na-oorlogse België was het volgens Ingenbleek nodig “de compenser ces inégalités en demandant, aux classes riches et aisées, un surcroît d’effort fiscal par la voie d’impôts directs sur le revenu et sur le capital.”
Het nieuwe fiscaal stelsel van de Inkomstenbelastingen voorzag in zijn beginfase in drie zogenaamde “cedulaire” of afzonderlijke belastingen op de inkomsten van onroerende goederen, van roerende goederen en van bedrijfswerkzaamheden. Daar bovenop werd ook nog voorzien in een bijkomende inkomstenbelastingen de zogenaamde “supertaxe” op het totale bedrag van het inkomen dat in het cedulaire systeem was belast. De belasting op onroerende goederen bedroef 10% van het kadastraal inkomen net als de belasting op roerende inkomsten. De inkomsten uit bedrijfswerkzaamheden werden progressief belast gaande van 2,6% op de eerste schijf van 15.000 BEF tot 10% op het gedeelte van het inkomen boven 1.000.000 BEF. Bovenop deze belastingtarieven kwam dan nog de supertaxe op het totaal bedrag van de inkomsten. Ook deze supertaxe was progressief systeem van toepassing met een basistarief van 1% op het globaal inkomen tot 15.000 BEF en een toptarief van 27,3% op de schijf boven 1.000.000 BEF.
De doelstelling van Jules Ingenbleek indachtig was dit stelsel een voorbeeld van fiscale rechtvaardigheid waarbij aan de hand van een echt progressief systeem aan sociale herverdeling werd gedaan. Rekening houdende met de muntontwaarding bleef het basistarief van 1% in de supertaxe in 1919 van toepassing tot 22.000 euro aan inkomen en was het toptarief van 27,3% echter pas van toepassing op het inkomen boven 1.502.000 euro. Dit is vandaag de dag natuurlijk totaal iets anders.
Het stelsel van de cedulaire inkomstenbelastingen bleef van toepassing tot de volgende grote fiscale hervorming in 1962 waarbij het cedulaire stelsel werd vervangen door het huidige stelsel van de geglobaliseerde inkomstenbelastingen, waarbij in de personenbelasting een progressief tarief wordt toegepast op de vier categorieën van inkomsten, zijnde de onroerende, de roerende, de beroeps- en de diverse inkomsten. Ook hier moet echter worden vastgesteld dat de wetgever in 1962 zeer brede belastingschijven hanteerde om aldus de hogere inkomensklassen stelselmatig meer te doen bijdragen. De tarieven klommen op van 11% tot 160.000 BEF inkomen tot 55% voor wie meer dan 5 miljoen BEF aan inkomen had verkregen. Omgerekend naar 2019 zou dit toptarief pas van toepassing zijn op de schijf van meer dan 912.000 Euro.
Het is duidelijk dat 100 jaar na de invoering van de inkomstenbelastingen en 57 jaar na de laatste echt grote hervorming het systeem veel van zijn pluimen heeft verloren. Daar waar het de bedoeling was van de founding fathers van de inkomstenbelasting om een echt sociaal rechtvaardige belasting in te voeren, moeten we vandaag vaststellen dat het systeem niet meer aan deze doelstelling beantwoordt. Dit is het gevolg van de vele vrijgestelde inkomsten, de steeds toenemende lijst van inkomsten die aan vaste tarieven worden belast en vooral van de gestage uitholling van de progressiviteit waardoor thans belastingplichtigen reeds vanaf de schijf van 39.660 euro aan het toptarief van 50% worden belast. Indien we daarnaast ook nog rekening houden met de vervennootschappelijking van heel wat beroepen, kan enkel maar worden geconcludeerd dat de personenbelasting misschien wel zijn budgettaire rol speelt, maar dat zijn herverdelende rol toch wel op de achtergrond is geraakt.
Het wordt dan ook hoog tijd om terug eens na te denken over de fundamenten van ons fiscaal systeem. En ondertussen santé.
howdy@taxicology.be
