De verkiezingen zijn in aantocht en dat zullen we geweten hebben. De afgelopen weken werden we reeds via verschillende kanalen op de hoogte gebracht van de verkiezingsprogramma’s van onze traditionele partijen. En het moet worden gezegd, de fiscaliteit komt prioritair aan bod in het programma van elke partij. Blijkbaar hebben onze politieke partijen toch stilaan door dat we qua belastingdruk echt wel de grens hebben bereikt, zodat elke partij op zijn eigen manier gaat voor een belastingverlaging voor de burgers.
De NV-A wil de belastingschijf van 45 procent in de personenbelasting doen verdwijnen, de vennootschapsbelasting verder laten dalen richting het EU-gemiddelde en een ondernemingsaftrek voor zelfstandigen invoeren. Open Vld wil dan weer de belastingschijf van 40 procent in de personenbelasting schrappen. CD&V gaat voor een uitbreiding van de forfaitaire aftrek voor beroepskosten voor werknemers en voor een verlaging van de werkgeversbijdrage. SP-A zet dan weer in op een verhoging van belastingvrije som tot 14.000 euro. En het Vlaams Belang stelt voor om de btw op elektriciteit en gas te verlagen naar 6 procent.
Maar de partij die met de meeste media-aandacht voor zijn fiscale verkiezingsprogramma is gaan lopen is Groen. En dat is niet zo verwonderlijk. In tegenstelling tot de andere traditionele partijen is Groen niet stil blijven staan bij de usual suspects zoals de schrapping van de belastingschijven in de personenbelasting of de verhoging van de belastingvrije som, maar gekozen voor een naar Belgische normen vrij nieuwe vorm van belastingheffing, met name de vermogensrendementsheffing of vermogenswinstbelasting. Bij een dergelijke belasting gaat men ervan uit dat het vermogen een vooraf bepaald fictief rendement zal opbrengen en dat fictief rendement wordt dan vervolgens belast. Een dergelijk systeem bestaat in Nederland waar men dit jaar ervan uitgaat dat het vermogen een fictief rendement van 5,60% zal opleveren en dat rendement wordt dan aan 30% belast. De partij Groen wil ook in België deze belasting invoeren, zij het enkel willen invoeren voor vermogens boven de één miljoen euro.
De vraag is of een dergelijke belasting in de Belgische context überhaupt realistisch is. Tussen de droom en de daad van een vermogenswinstbelasting staan immers ook wetten en praktische bezwaren in de weg.
Een eerste belangrijk praktisch maar noodzakelijk obstakel voor een vermogenswinstbelasting is de aanleg van een vermogenskadaster. De fiscale administratie mag dan wel al over heel wat vermogensinfo beschikken van de Belgen, zoals het bezit van onroerend goed en het bestaan van buitenlandse bankrekeningen en levensverzekeringen, een globaal overzicht heeft de fiscus niet en dat is onontbeerlijk voor een vermogenswinstbelasting. Alvorens een dergelijk belasting kan ingevoerd worden moet het vermogen dus eerst transparant worden gemaakt, en daarvoor heb je een vermogenskadaster nodig. En de vraag die zich hierbij stelt, welk type vermogen in dat vermogenskadaster moet worden opgenomen. Zal dit beperkt worden tot onroerend vermogen, gelden op bankrekeningen en beleggingsportefeuilles? Wel dan bestaat het risico op discriminatie. Naast deze klassiekers zijn er ook nog tal van andere activa die een belangrijke vermogenswaarde kunnen hebben zoals kunst, juwelen, old timers, springpaarden etc. Die niet in het kadaster opnemen is een juridisch discriminatierisico voor het beleid.
Een tweede obstakel is dat het vermogen ook moet worden gewaardeerd. De vermogenswinstbelasting belast immers het fictief rendement berekend op de waarde van het vermogen. Ook hier stelt zich de vraag hoe dat zal gebeuren. Zal men dit aan de belastingplichtigen overlaten die hun vermogen in een fiscale aangifte zullen moeten oplijsten en waarderen? Wel in dit geval wacht de fiscus veel gespecialiseerd controlewerk, want de belastingcontroleur zal in dit geval ook moeten weten hoeveel de kunstwerken van Michaël Borremans of een Bentley S1 uit 1957 waard zijn. Of het kan andersom, in die zin dat het de fiscus is die de waardering zal doorvoeren bijvoorbeeld voor onroerende goederen. Wel ook in dit geval wacht de fiscus veel werk, want men bijvoorbeeld gaat jaarlijks voor elk onroerend goed de verkoopwaarde moeten bepalen. In de wetenschap dat de fiscus er nog niet in slaagt om elke 10 jaar de kadastrale inkomens van de onroerende goederen te herzien, lijkt dit een onbegonnen verhaal. Daarenboven zal elke waardering die door de fiscus wordt uitgevoerd, ook kunnen worden aangevochten door de belastingplichtige, wat ook heel wat administratieve energie van de FOD Financiën zal vergen.
En tot slot is er ook nog een derde bedenking. Hoe zal het fictief rendement worden bepaald en het is niet discriminerend om enerzijds vermogen dat geen rendement heeft opgebracht toch een fictief rendement toe te wijzen en anderzijds vermogen dat een veel hoger rendement heeft opgebracht toch maar op het vastgestelde fictief rendement te belasten?
Ziet u onze fiscale administratie dit allemaal tot een goed einde brengen? Ik in ieder geval niet. Dus los van enige politieke voor- of afkeer, is het duidelijk dat de invoering van een vermogenswinstbelasting niet zo’n verstandige beslissing is.
howdy@taxicology.be
