De kogel is door de kerk, we hebben een nieuwe Vlaamse regering. En het moet worden gezegd, het plan van de nieuwe regeringsploeg is best wel ambitieus, zo blijkt althans uit het 303 pagina’s tellende regeerakkoord. Een samenleving in topvorm, excellent onderwijs, een sterke economie en arbeidsmarkt, een warm en zorgzaam Vlaanderen, een inclusieve samenleving, klimaat en energie, mobiliteit, enfin het passeert allemaal de revue. En zoals reeds was aangekondigd in de startnota van Bart De Wever, omvat het bestuursakkoord ook een resem fiscale maatregelen.

Allicht de meest in het oog springende maatregel is de afschaffing van de fameuze woonbonus, dit is een belastingvermindering in de personenbelasting toegekend voor wie een woonlening heeft aangegaan. De woonbonus wordt vanaf 1 januari 2020 vervangen door een verlaging van de registratierechten op de aankoop van een enige, eigen woning van 7% naar 6% (en van 6% naar 5% bij een ingrijpende energetische renovatie). Op zich valt daar qua concept wel iets voor te zeggen. Het huidige fiscaal systeem is immers vrij hypocriet, aangezien kopers van een woning eerst zware registratierechten moeten ondergaan bij de aankoop, om dan vervolgens achteraf gedurende de duurtijd van hun woonlening te kunnen genieten van een belastingvermindering. Dit is fiscaal slaan en zalven, zodat het inderdaad beter is de mensen een directe fiscale korting te geven bij de aankoop van hun woning. Dit neemt echter niet weg dat we ons toch wel wat vragen mogen stellen over de gemaakte keuzes van de meerderheidspartijen.

Vooreerst kan niet worden ontkend dat de woonbonus via de belastingvermindering een substantieel financieel voordeel toekent aan mensen die een woning kopen met een woonlening. Momenteel bedraagt dit voordeel 944 euro gedurende de eerste tien jaar van de lening, en 640 euro daarna. Koppels die samen een woning hebben aangekocht kunnen twee keer van dit voordeel genieten. Op een lening van 20 jaar tijd, kan dit financieel voordeel dus makkelijk oplopen tot meer dan 30.000 euro. Dit staat echter in schril contrast met het directe financieel voordeel in het nieuwe systeem van de verlaagde registratierechten. Wie een woning van 300.000 euro koopt zal in het nieuwe systeem geen 21.000 euro aan registratierechten moeten betalen, maar “slechts” 18.000 euro, hetzij 3.000 euro minder. Dit voordeel weegt natuurlijk niet op tegen het veelvoud aan voordeel van de woonbonus.

De nieuwe regering verantwoordt de afschaffing van de woonbonus in het regeerakkoord door te stellen dat dit fiscaal voordeel de woningprijzen doet stijgen. Of dit effectief zo is, is nog niet direct duidelijk en het voorbeeld van Brussel, waar de woonbonus in 2017 werd afgeschaft, heeft aangetoond dat de prijscorrectie op de woningmarkt eerder miniem is, en geenszins van aard is om het verlies van het financieel voordeel van de woonbonus te compenseren. Het lijkt mijns inziens dan ook dat deze economische verantwoording eerder een drogreden is om een budgettaire besparingsoperatie te maskeren. Daar is op zich niets mis mee, maar dat men het dan ook politiek zo durft te benoemen.

In ieder geval blijkt dat de afschaffing van de woonbonus dus toch wel een vrij behoorlijk financieel nadeel met zich zal meebrengen voor wie na 1 januari 2020 een woning in Vlaanderen zal kopen. Maar anderzijds zijn er niet enkel verliezers in het nieuwe systeem, er zijn ook “winnaars”. Wie een miljoenenwoning gaat aanschaffen, doet immers een voordeel met het nieuwe systeem. Het is weliswaar afhankelijk van de individuele situatie, maar het is perfect mogelijk dat één procent tariefverlaging in de registratierechten voor zeer dure woningen een groter financieel voordeel oplevert dan de gecumuleerde maar begrensde woonbonus over een leningsperiode van pakweg 20 jaar. De vraag is of dit de bedoeling kan zijn.

Verder moeten we ons ook vragen durven stellen bij de financiële rechtvaardigheid van de keuze om het verdwijnen van de woonbonus te gaan compenseren met een lager tarief in de registratierechten. Wie één procent belastingvermindering krijgt op een de aankoop van een woning van 400.000 euro zal in dit systeem immers een groter financieel voordeel genieten dan wie een woning van 200.000 euro koopt. Wellicht had men hier beter geopteerd voor een voetvrijstelling in de registratierechten zoals in het Brusselse systeem waar iedereen geniet van een gelijke vrijstelling van 175.000 euro bij de aankoop van een woning.

En laat ons tot slot de kopers van een nieuwbouwwoning niet vergeten. Zij zien hun woonbonus ook verloren gaan, maar omdat zij op hun woning geen registratierechten maar BTW betalen, kunnen zij behalve op de aankoop van de bouwgrond, niet genieten van de compensatie van de verlaagde registratierechten. Zij blijven dus in de fiscale kou staan, en de vraag is of dit geen negatief effect zal hebben op de bouwsector.

De afschaffing van de woonbonus mag dan in essentie wel een goede beslissing zijn, de invoering van een woonmalus is dat echter niet.