Wie in het verleden fiscale onregelmatigheden heeft gepleegd kan zijn situatie rechtzetten door een beroep te doen op de wetgeving op de fiscale amnestie, beter bekend als de fiscale regularisatie. De fiscale regularisatie is altijd zwaar bediscussieerd geweest, met politieke voor- en tegenstanders. Het resultaat van deze politieke tegenstellingen is dat er sinds 2003 maar liefst vier verschillende amnestieregelingen zijn geweest.
In de huidige regelgeving wordt er een onderscheid gemaakt tussen de federale regeling en de Vlaamse regeling. De federale regeling is van toepassing voor federale belastingen zoals de Inkomstenbelastingen de BTW. Wie inkomsten en kapitalen wil regulariseren, die fiscaal nog niet zijn verjaard, zal het normale belastingtarief verschuldigd zijn, verhoogd met een boetetarief. In de wetgeving werd voorzien dat dit boetetarief jaarlijks wordt verhoogd. In 2016 bedroeg de tariefverhoging 20% en deze stijgt jaarlijks met 1% tot het maximum van 25% wordt bereikt in 2020. Voor verjaarde inkomsten en kapitalen werd er voorzien in een regeling waarbij de belastingplichtige niet het normale belastingtarief moet betalen maar wel een apart forfaitair “tarief” van 36% dat ook jaarlijks met 1% zal stijgen tot maximaal 40%.
De Vlaamse regeling, die van toepassing is op niet aangegeven Vlaamse registratie- en successierechten, volgt een enigszins ander scenario. De niet fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen geweest zijn aan de erfbelasting kunnen worden geregulariseerd tegen een forfaitair tarief van 35% voor een verkrijging in rechte lijn of tussen partners en tegen een tarief van 70% voor een andere verkrijging dan een verkrijging in rechte lijn of tussen partners. Voor de niet fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen geweest zijn aan de registratiebelasting, geldt een forfaitaire regularisatieheffing van 20%. De fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen geweest zijn aan de erfbelasting of de registratiebelasting kunnen worden geregulariseerd tegen een forfaitair tarief van 37% dat jaarlijks met 1% wordt verhoogd tot maximaal 40% in 2020.
Op zich lijkt dit een logisch systeem te zijn, maar toch zijn er paar fundamentele bedenkingen te maken wat betreft de sanctionering van deze amnestieregelingen.
Vooreerst is het vanzelfsprekend dat wie fiscale fouten heeft begaan en die thans wil recht zetten, daarvoor wordt gesanctioneerd. Uiteindelijk heeft men toch bepaalde fiscale verplichtingen niet gerespecteerd. Deze sanctionering is duidelijk bij de regularisatie van niet verjaarde federale belastingen. Daar wordt het normale tarief verhoogd met een boetetarief van 20% dat oploopt tot 25%. Minder duidelijk is regeling bij de regularisatie van verjaarde federale belastingen en van Vlaamse belastingen. Daar gelden immers forfaitaire regularisatietarieven. Maar ook daar moet men in de regel stellen dat deze tarieven sanctionerend werken, aangezien in de meeste gevallen de tarieven hogere zijn dan de wettelijke verschuldigde tarieven. Zo bijvoorbeeld moeten niet verjaarde Vlaamse successierechten in rechte lijn worden geregulariseerd aan 35% daar waar het hoogste normale belastingtarief 27% bedraagt.
Ook logisch lijkt de jaarlijkse verhoging van de boetetarieven en van het tarief van de forfaitaire regularisatieheffingen. Hiermee wil de overheid een stok achter de deur houden en mensen aanmoedigen om niet te wachten om te regulariseren.
Maar het is net die stelselmatige verhoging van de sanctionering die juridische vragen oproept. Dit werd recent bevestigd door de rechtbank in Den Haag in een vonnis van 15 mei 2018 met betrekking tot de Nederlandse “inkeerregeling”. In dit vonnis stelde de rechter dat de verhoging van de sancties bij een fiscale regularisatie juridisch niet kan doorwerken naar feiten uit het verleden omdat een strafwet niet retroactief kan worden toegepast. Meer concreet stelde de Nederlandse rechter dat de inkeerregeling tot 1 januari 2010 voorzag dat er geen sanctie zou worden opgelegd aan belastingplichtigen die spontaan hun fiscale situatie rechtzetten buiten enige controle om. Met ingang van 1 januari 2010 is echter voorzien dat de vrijstelling van sanctionering enkel geldt voor belastingplichtigen die hun situatie recht zetten binnen de twee jaar volgend op de fiscale overtreding.
In zijn vonnis concludeert de Nederlandse rechter dat deze nieuwe regeling enkel toepassing kan vinden op fiscale overtredingen die zijn begaan vanaf 1 januari 2010 en niet voor fiscale overtredingen die zijn begaan voor de inwerkingtreding van de nieuwe inkeerregeling, die verder volgens het oude systeem moeten kunnen geregulariseerd worden. De rechter in Den Haag baseerde zijn stelling op artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat inderdaad stelt dat aan niemand een zwaardere straf mag worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.
Het is duidelijk dat dit Nederlandse vonnis de rechtsgeldigheid van sanctieregeling bij fiscale regularisaties ook in ons land ter discussie gaat stellen. Immers ook bij ons kan de vraag worden gesteld of de sanctieregeling van de fiscale regularisatie in overeenstemming is met de niet retroactiviteit van de strafwet. Eens te meer blijkt aldus dat de fiscale rechtsbescherming meer en meer wordt bepaald door mensenrechten.
howdy@taxicology.be
